Je kent het wel. Na een lange reisdag zoek je een leuke camping. Een camping die aan alles voldoet. En bijna als je de moed wil opgeven, vind je ‘m. Een pareltje. Kampeerplekjes aan een rustige visvijver. Goed verzorg met een perfect gemaaid grasveldje. Rust. Stilte. Dit wordt jouw plekje! Denk je…
Deze middag zoeken we vroeger dan anders een plek om te staan. Niet meer dan dat. Het is mooi geweest voor vandaag. Deze minicamping oogt klein en overzichtelijk. Geen slagbomen. Geen gedoe. Bij de receptie is niemand aanwezig, maar wel een bordje met telefoonnummer.
Ik bel. Een vriendelijke man neemt op. We mogen zelf een plekje uitzoeken. Dat klinkt goed. Bijna perfect.
We rijden voorzichtig het smetteloze grasveldje op en kijken rond. Ik wijs een logisch plekje aan. Niet te dicht op het water. Niet midden in de loop. Op gepaste afstand van de enige andere kampeerder. Gewoon een normale plek om te staan. We stappen uit. Ja, dit wordt ons plekje!
ze klinkt als een brandalarm zonder uitknop
Dan hoor ik iets. Een schel geluid dat niet direct te plaatsen is. Iets tussen een opgefokte watervogel en een motor die nét iets te veel toeren maakt. Even later verschijnt een knalgeel golfkarretje dat doelgericht onze kant op rijdt.
Ze stopt vlak voor ons. Ik gok dat deze vrouw bij de camping hoort en we niet in haar plaatje passen. Blijkbaar heeft de vriendelijke man van zojuist haar niet meegenomen in zijn vrijgevige “zoek-maar-een-plekje”-beleid. Nog voordat ik mijn mond open kan doen, doet zij het al.
“Niet daar!” Ik knik en wijs. “Misschien daar dan?” Ze schudt haar hoofd alsof “nee’ haar standaardinstelling is. “Ook niet.” “Daar?” “Nee!” “Daar misschien?” “Nee!” Ik probeer het nog een keer en wijs zomaar ergens heen. “Daar?” “Ook niet!”
Het tempo waarin de plekken worden afgekeurd ligt hoger dan de snelheid van een bordercollie dat een verdwaalde schaap spot. Uitleg blijft uit. Het teken dat geen enkel stukje gras geschikt blijkt voor onze daktent.
Ondertussen klapt Marco de daktent weer in. Ik kijk naar hem en herken die blik. Code rood! Mond dicht en meewerken aan zijn evacuatieplan.
Terwijl de vrouw nog steeds klinkt als een brandalarm zonder uitknop stappen we in. Marco start de motor. Zijn blik is veranderd. Hij glimlacht met zo’n ‘dit-gaat-leuk-worden’-gezicht.
Marco geeft rustig gas. Iets rustiger dan zijn glimlach doet vermoeden. Maar toch nèt iets te enthousiast.
Het perfect gemaaide grasveldje blijkt minder bestand tegen de sportieve ambities van Marco. De wielen slippen en laten daarbij een subtiele, maar onmiskenbare handtekening achter. Geen complete ravage. Gewoon een mooie herinneringen.
Nog één keer stuurt Marco soepel in en laat de auto in een vloeiende beweging draaien. Hij kan dat. Dat driften.
De vrouw staat erbij en kijkt ernaar. Zonder woorden. Platgedrukt tegen de zijruit steek ik nog een voorzichtig handje op. Zo’n vriendelijk zwaaitje waarvan je hoopt dat het als beleefdheid overkomt. Niet als overwinning.
We rijden verder. Op zoek naar een plek waar we wél mogen staan. Een plek zonder viswijf.